Adviseurs

“Belangenbehartigers doen een groter beroep op de inhoudelijke kennis van adviseurs”

Vijf vragen aan adviseur Versterking Wmo – Henk Beltman

Henk Beltman is adviseur Wmo in de provincie Gelderland (56 gemeenten). “De Wmo-raden in mijn gemeenten zijn nu vooral bezig met de vraag hoe zij in contact kunnen komen met verschillende doelgroepen die onder de functie begeleiding vallen. Mensen met een verstandelijke beperking, met een psychische beperking en kleinere cliëntengroepen (Alzheimerpatiënten, autisten). Als adviseur kan ik de Wmo-raden begeleiden bij studiebijeenkomsten hierover. Ik kan ook met hen meedenken over de inhoudelijke ontwikkelingen en de vertaling daarvan naar hun werkzaamheden.”

In welk gebied ben je als adviseur actief?

“In Gelderland werken verschillende adviseurs. Mijn werkgebied is de Stedendriehoek, Gelderse Vallei en Noord-Veluwe. In totaal in zo’n 15 gemeenten.”

Hoe bereiden de gemeenten in je werkgebied zich voor op de mogelijke decentralisaties?

“De meeste gemeenten waren ten tijde van de kabinetscrisis druk bezig met het opstellen van plannen voor de decentralisatie van de functie begeleiding. Soms werd op regionaal samengewerkt met andere gemeenten. Ook zijn bijeenkomsten georganiseerd met de doelgroepen en werden Wmo-raden geïnformeerd. Na het controversieel verklaren van de decentralisatie van de functie begeleiding, stokten de voorbereidende activiteiten grotendeels. Vooral de kleinere gemeenten wachten nu af wat het resultaat van de kabinetsformatie zal zijn. De grotere gemeenten gaan vaak wel door met de voorbereidingen. De gemeenten denken dat de decentralisatie van de functie begeleiding, al dan niet in een aangepast vorm, zal doorgaan.”

Wat is de meest gestelde vraag van een Wmo-raad aan jou als adviseur? En kun je deze vraag beantwoorden?

“De eerste vraag die Wmo-raden stellen is vooral hoe zij in contact kunnen komen met verschillende doelgroepen die onder de functie begeleiding vallen. De laatste maanden gaat het ook over het contact met de cliënten van de jeugdzorg. Zij willen die contacten opbouwen of versterken om inhoudelijke voeding te krijgen. Ook willen zij hun maatschappelijke inbedding versterken. Daarnaast blijkt in adviesgesprekken vaak dat Wmo-raden zich aan het bezinnen zijn op hun functioneren: rolopvatting, spelregels met de gemeente, interne werkwijze. De contacten met de samenleving in het algemeen en sommige groepen in het bijzonder maken onderdeel uit van die bezinning. Beide vragen leiden tot studiebijeenkomsten waarop de Wmo-raden proberen een antwoord te vinden op deze vragen. Als adviseur kan ik de Wmo-raden daarin goed begeleiden. Door de inhoudelijke ontwikkelingen te schetsen, de consequenties voor de Wmo-raden te verduidelijken en mee te denken over de vertaling naar hun werkzaamheden. Naarmate de gemeenten de drie decentralisaties (arbeid, AWBZ/Wmo en jeugdzorg) gaan combineren, zal wel een groter beroep op inhoudelijke kennis van de adviseurs worden gedaan. De Wmo-raden - en met hen de adviseurs - zullen zich moeten verdiepen in de overkoepelende thema’s ‘zelfregie’ en ‘burgerparticipatie’.”

Wat is de meest gestelde vraag van lokale belangenbehartigers aan jou als adviseur? En kun je deze vraag beantwoorden?

“Voor sommige cliëntenorganisaties die ik spreek (Astmavereniging, Diabetes vereniging, Reumapatiëntenvereniging) is de Wmo nog ver weg. Bij deze organisaties gaat het er vooral om leden bekend te maken met de Wmo, het belang van lokale belangenbehartiging en het nut van contacten met de Wmo-raden. Als het nieuwe kabinet met besluiten komt over de doorontwikkeling van de Wmo zal er een impuls komen voor het versterken van de contacten met de cliëntenorganisaties en de Wmo-raden. Dat zal ik als adviseur dan oppakken.”

Welke doelgroepen moeten meer in beeld komen?

“Mensen met een verstandelijke beperking, diverse groepen met een psychische beperking en kleinere groepen (Alzheimerpatiënten, autisten). Speciale aandacht vraagt de groep kwetsbare (licht verstandelijk gehandicapte) jongeren die met diverse veranderingen (AWBZ, Wmo, jeugdzorg) te maken heeft.”